14
dec
Schieting Aspiranten
Bernard Ennaert, Peter Van Renterghem, Benoit Traen, Patrick Podevyn

De historiek Karel de Goede

De “Parijssche Halle” (1927-1938)

I. Hoofdman Charles Bonte (1927-1937)

Het ontstaan van de Gilde
In 1927 is het in het Brugse reeds mogelijk op staande wip te schieten in de winter, want dan bestaat er al een schutterstoren in de Stationsstraat achter het toenmalige voetbalterrein van Cercle Brugge te Sint-Andries. Een storm vernielt op een nacht deze unieke toren en de rest gaat verloren door de modernisering van de omgeving. Daarnaast zijn er talrijke liggende-wipmaatschappijen.

Een ‘stichtingsakte’ van wat thans de Koninklijke Gilde Karel de Goede is, bestaat er niet ( meer). Een groot deel van het archief werd door een ongeval vernield. Volgens mondelinge overlevering zou de Gilde gesticht zijn in 1927 in het hotel “Parijssche Halle”, gevestigd in de Kleine Sint- Amandstraat 6 te Brugge. De toenmalige uitbater is een zekere R. Pauwels, korte tijd later opgevolgd door Odiel Van Rietvelde.

De Gilde wordt opgericht als een winterschuttersvereniging, op de liggende wip, onder de benaming “Karel de Goede Vrienden”. Waarom precies deze voor een schuttersgilde ongebruikelijke naam wordt gekozen proberen we hierna te achterhalen.

Een voor de hand liggende reden zou zijn dat het in 1927 precies 800 jaar geleden is dat graaf Karel de Goede in de Sint-Donaaskerk op de Burg werd vermoord. Dit historische feit wordt dat jaar in Brugge met de nodige luister herdacht. Het lijkt zeer plausibel dat ook de stichters van onze Gilde deze herdenking aangrijpen om hun vereniging te noemen naar de zalige Karel de Goede.

Maar, de werkelijkheid is waarschijnlijk prozaïscher.
Gasthof “ Karel de Goede”
De oudste vermelding van een gebouw met de naam “ Parijssche Halle” gaat terug tot 1373. Historici zoals Duclos nemen aan dat daar het natiehuis van de Fransen gevestigd was. Reeds in de 15e eeuw komt het huis in private handen en wordt het een gasthof, dat de naam “Parijssche Halle” behoudt. Begin de jaren 1600 wordt het gebouw eigendom van Pieter Rapaert. Hij is een telg van een bekende Brugse familie die later in de adelstand verheven wordt en zich dan Rapaert de Grass noemt. Zij blijft gedurende meer dan 220 jaar eigenares van de “Parijssche Halle”. Een verre nazaat zal trouwens de bekende hoofdman van de Sint-Sebastiaansgilde Sint-Pieters worden.

In de 19e eeuw wordt het gebouw aanzienlijk vergroot en komt er ondermeer een toneelzaal bij, die verhuurd wordt aan de Koninklijke Maatschappij voor Letterkunde. In 1883 wordt de “Parijssche Halle”, samen met het aanpalende huis verkocht aan brouwer Oscar Van Houtryve. Beide gebouwen worden verbouwd tot hotel en verhuurd.

De uitbaters noemen hun hotel “ Karel de Goede”. Vele Brugse verenigingen hebben er hun standplaats. Het lijkt dan ook logisch te veronderstellen dat de schuttersmaatschappij, die er opgericht wordt, de naam “ Karel de Goede Vrienden” meekrijgt.

Maar ook dat staat niet vast. Volgens sommige bronnen wordt de Gilde immers in 1927 niet opgericht maar heropgericht. Daarnaast blijkt er vroeger in de Geldmunstraat ook een gasthof “Karel de Goede” bestaan te hebben ( met een poort in de Gheerwijnstraat). Het Davidsfonds heeft er zijn lokaal tot eind 1883, om nadien naar de “Parijssche Halle” te verhuizen. Het zou dus best mogelijk zijn dat onze Gilde oorspronkelijk opgericht is in dit lokaal en vandaar de naam “ Karel de Goede Vrienden” krijgt. Een en ander vraagt dus om verder onderzoek.

Vermelden we nog dat na de tweede wereldoorlog de “Parijssche Halle” eigendom wordt van Jerome Jonckheere, die het historische pand in 1965 laat slopen.

Zalige graaf Karel de Goede

Karel de Goede, de latere zevende graaf van Vlaanderen, werd in Denemarken geboren, tussen 1080 en 1086. Hij stamde langs moederskant van de Vlaamse gravendynastie af. Zijn moeder was Adela van Vlaanderen, derde dochter van Robrecht I de Fries, die in 1071 graaf van Vlaanderen geworden was. Zij was tussen 1080 en 1083 gehuwd met Knoet IV, koning van Denemarken.

Knoet werd in 1086 vermoord. Adela vluchtte naar Vlaanderen en verbleef er tot ca. 1090 in de buurt van Harelbeke of te Wijnendale.

Nadat zijn moeder hertrouwd was met de hertog van Apulië, bracht Karel zijn jeugdjaren door aan het hof van zijn grootvader, graaf Robrecht I de Fries. Deze werd opgevolgd door zijn zoon Robrecht II en deze op zijn beurt door zijn zoon Boudewijn VII “ Hapken”. Karel de Goede werd zijn vertrouwensman en raadgever. Samen stelden zij een einde aan de gewelddaden en bloedige familietwisten tussen de vooraanstaande geslachten van het graafschap. Boudewijn VII werd in 1119 dodelijk gewond in een veldslag tussen de koning van Engeland en zijn broer, de hertog van Normandië, aan wiens zijde hij streed. Vooraleer te sterven duidde hij Karel de Goede als zijn opvolger aan.

Karel de Goede groeide uit tot een vorst van Europees formaat. In 1123 stuurden de kruisvaarders een delegatie naar Vlaanderen om hem de kroon van het Koninkrijk Jeruzalem aan te bieden. Karel weigerde omdat zijn aanwezigheid in Vlaanderen vereist was. Om dezelfde reden weigerde hij twee jaar later de door de Duitse keurvorsten aangeboden keizerskroon van het Heilig Roomse Rijk.

Als graaf bekommerde hij zich steeds om het lot van de armen en de minderbedeelden. Dit kwam ondermeer tot uiting in 1126 toen er in Vlaanderen een grote hongersnood heerste. Karel trof onmiddellijk maatregelen om aan deze noodtoestand te verhelpen. Hij verbood nog bier te brouwen om het daarvoor normaal gebezigde graan te kunnen aanwenden voor het bakken van brood. In de grafelijke residenties liet hij dagelijks voedsel uitdelen aan de armen.

Zoals zijn voorgangers spande hij zich in om de “Godsvrede” te laten eerbiedigen. Ook trad hij onverbiddelijk op tegen woekeraars die van de hongersnood misbruik poogden te maken. Dit bracht hem evenwel in botsing met Bertulf, de proost van de Sint-Donaaskerk te Brugge. Bertulf behoorde tot de machtige familie van de Erembouds, die als ‘ministerialen” in grafelijke dienst gezag en aanzien verworven hadden. Karel de Goede stelde een einde aan de woekerpraktijken van de Erembouds. Toen ook nog dreigde uit te komen dat de Erembouds van onvrije (horige) afkomst waren, besloten zij de graaf te liquideren. Karel de Goede werd vermoord in de Sint-Donaaskerk op 2 maart 1127. Zijn moordenaars verschansten zich in de kerk doch gaven zich na beleg van enkele weken over. Zij werden ter dood veroordeeld en vanuit de toren van de grafelijk burcht te pletter geworpen.

Na een machtsstrijd tussen de Franse koning Lodewijk VI en de Bruggelingen werd in 1128 Diederik van de Elzas aangesteld als nieuwe graaf van Vlaanderen.
De eerste Eed
In de resten van het archief van de Gilde vinden we een kasboek terug dat aanvangt op 9 november 1928. Het kasboek opent met de volledige ledenlijst bij het begin van het schuttersseizoen 1928-1929. Er zijn reeds 52 betalende Confraters, hetgeen bevestigt dat de Gilde minstens ook reeds het vorige seizoen bestond.

De Gilde staat onder de leiding van een volwaardige Eed, die uit volgende personen bestaat:
  • Hoofdman : Charles (Karel) Bonte, architect in de Kopstraat.
  • Stadhouder : Huygebaert , patissier in de Geldmuntstraat.
  • 1e Deken : Odiel Van Rietvelde, de latere lokaalhouder van de “Parijssche Halle”, toen nog vermeld als drankverkoper uit de Jeruzalemstraat.
  • 2e Deken : Dujardin, uitbater van de “Sirène d’Or” op de Markt.
  • 1e Hofmeester : Van Vooren, patissier in de Academiestraat.
  • 2e Hofmeester : U. Dombrecht, smid in de Beenhouwersstraat.
  • Griffier : 0. Claeys, wonende in de Schouwvagersstraat.
  • Tresorier : R. Pauwels, lokaalhouder.
  • Raadslid: 0. Geschiere, wonende in de Kleine Sint-Amandstraat.
  • Raadslid: M. Driepondt, bakker in de St. Amandstraat.

Onder de gewone leden treffen we nogal wat bekende middenstanders aan: Maurice Leliaert, uitbater van café “ Sportman” op de Markt; Willem Legon, steenhouwer aan het Fort Lapin; Emile Volckaert, spekslager uit de Geldmuntstraat; Maurice Hemeryck, uitbater van café “Telefoon” uit de Hoogstraat; Georges Willaert, eigenaar van Garage “ L’ Abbaye” uit de Smedenstraat; Maurice Van Slambrouck, handelaar uit de Noordzandstraat; Richard en Romain Vandekerckhove van het bekende autocarbedrijf uit de Ezelstraat; Robert Braecke, elektricien uit de Noordzandstraat; G. Neef, juwelier uit de Burgstraat; ... enz. Ook andere bekende figuren treffen we aan bij de eerste leden: bv. Van Renterghem, burgemeester van Assebroek, Van Deyle en Van den Bussche, beiden Schepen van Assebroek, Gaston Schouteete, tandarts uit de Gieterijstraat.

Het kasboek van 1928-1929 geeft ons een idee over de inkomsten en uitgaven in die tijd (en over de muntwaarde). Op 9 november 1928 noteert de Tresorier volgende inkomsten en uitgaven:
  • jaarbijdragen: 25 leden X 25 fr. = 625 fr.
  • nleg voor de schieting: 25 X 3 fr. = 75 fr.
  • betaald voor geldgaaien: 11 fr.
  • aan de klerk ( = de pijlenraper): 5 fr.

Voor de Sireschieting van 16 november 1928 worden volgende inkomsten en uitgaven geboekt:
  • jaarbijdragen: 6 X 25 fr. = 150 fr.
  • inleg voor de schieting: 28 X 3fr. = 84 fr.
  • inleg sireschieting: 17 fr.
  • aankoop gaaien: 74 fr.
  • betaald voor geldgaaien: 15 fr.
  • aan de klerk: 5 fr.

Zo te zien worden de rekeningen toen reeds zeer nauwkeurig bijgehouden.

Het aantal aanwezigen op de schietingen schommelt rond de 25 leden, met uitschieters tot 34 leden. Het boekjaar sluit uiteindelijk af met een bonus van 415,80 fr.

Het seizoen 1929-1930 vangt aan met een grote wildschieting op 29 september 1929. De totale inleg van deze avond bedraagt niet minder dan 826,25 fr. Er wordt voor 637 fr. wild op de wip gezet. Drie weken later vindt de sireschieting plaats. Bij de uitgaven vinden we terug: “ sireprijs: 112,50 fr.”. Op 6 december gaat de schieting van de “simpele leden” door. Er zijn 36 schutters aanwezig. Dit seizoen zijn gemiddeld een 30-tal schutters aanwezig op de wekelijkse schietingen. Er wordt, naast de wildschieting, alleen geschoten voor geldprijzen ( “ geldgaaien”).

In het seizoen 1930-31 worden voor het eerst borden ( “ tellooren”) aangekocht, die als prijzen op de wip geplaatst worden. Op 3 maart 1931 wordt daarvoor een uitgave van 1934,50 fr. geboekt.
Een vaandel voor de Gilde
De Gilde kent een grote bloei in het seizoen 1933-1934. Het ledenaantal klimt tot niet minder dan 89 Confraters. Naast vele bekende Bruggelingen uit de middenstand vinden we onder nummer 87 van de ledenlijst ook Constant Permeke terug, de bekende expressionistische kunstschilder uit Jabbeke.

De Gilde verrijkt zich in dit seizoen met een vaandel, dat tot op heden nog steeds met zorg bewaard wordt in het schutterslokaal. Op het vaandel is een boogschutter in actie te zien. Wij herkennen er Odiel Van Rietvelde in, de uitbater van de “Parijssche Halle” en toen Tresorier van de Gilde. Verder zien we een medaillon met de zalige Karel de Goede met zwaard en boek. Op de achtergrond bemerken we het Belfort en de Sint-Salvatorskathedraal. In de rechter benedenhoek treffen we het wapenschild van Vlaanderen aan en het jaartal 1933. Volgens mondelinge meedeling van de heer W. Van Rietvelde (zoon van Odiel en toentertijd als jonge knaap pijlenraper van de Gilde) is het ontwerp van de hand van M. Louwagie. De vlag wordt vervaardigd door het kunstatelier Slabbinck. De vlag wordt ingewijd in de Sint-Jacobskerk in aanwezigheid van 60 à 70 leden. Een aantal daarvan wordt vereeuwigd op een foto, genomen voor het portaal van de kerk. Op 21 januari 1934 wordt een bijzondere “vaandelinhuldiging schieting” gehouden, waarop 42 Confraters aanwezig zijn.

Ook de seizoenen 1934-35, 1935-36 en 1936-37 verlopen voorspoedig. De bewaarde aanwezigheidslijsten van de wekelijkse schietingen getuigen daarvan. Gemiddeld zijn er tussen de 25 à 35 schutters present.
Terugval
Het seizoen 1937-38 kent daarentegen een opvallende terugval.

De openingsschieting van 15 oktober, aangeboden door “de lokaalbaas”, begint nochtans veelbelovend met 35 schutters. De week nadien blijkt dit aantal echter terug te vallen tot amper 7 aanwezigen en het verdere seizoen schommelt het aantal schutters tussen de 15 en 20. Vermoedelijk heeft zich op de openingsschieting een incident voorgedaan waardoor een groot aantal leden afgehaakt hebben en dat zelfs aanleiding heeft gegeven tot een splitsing van de vereniging. Het seizoen sluit af op 1 april 1938 met slechts 13 schutters. Zeer toepasselijk vermeldt de griffier in zijn register “schieting overgebleven”.

Al dan niet toevallig valt deze terugval samen met het feit dat er in de “Parijssche Halle” een nieuwe uitbater komt, zekere Victor Depoorter. Deze blijkt er een eigenaardig soort humor op na te houden. Zo schildert hij eens alle konijnen, die als prijs voor de wip bedoeld waren, in het groen... Wellicht konden niet alle leden deze fratsen appreciëren?

Het “Oud Handbogenhof” (1938-1980)

II. Hoofdman Joseph Van Daele (1937-1961)

In het seizoen 1938-39 blijkt de Gilde een nieuw onderkomen te hebben: het “ Oud Handbogenhof” in de Baliestraat 6 te Brugge, in de schaduw van de Sint-Gilliskerk. Enkele schutters blijven in de “ Parijssche Halle” doch de meerderheid verhuist naar het nieuwe lokaal, met behoud van de naam “ Karel de Goede Vrienden”, de vlag en de archieven van de Gilde. Zij zullen er gedurende meer dan veertig jaar een gezellig onderdak vinden. Het lokaal wordt dan uitgebaat door Alfons Minnebo, die tevens “rijtuigmaker” is.

Joseph Van Daele is inmiddels Charles Bonte opgevolgd als nieuwe Hoofdman, een functie die hij bijna volle 25 jaar zal uitoefenen (1937 - 1961).

Er wordt een nieuwe Eed aangesteld, met volgende schutters:
  • Hoofdman: Joseph Van Daele
  • Stadhouder: Léon Haest
  • 1e Deken: Prosper De Laere
  • 2e Deken: Silvain Delacourt
  • Tresorier: Alfons Minnebo
  • Griffier: Edward Scharpé
  • 1e Hofmeester: Gaston Schouteete
  • 2e Hofmeester: Maurice Mergaert
  • Sire: L. Godemon
  • Raadslid: Gaston De Pourcq
  • Raadslid: Leopold Sorel
  • Raadslid: A. Blommaert
  • Raadslid: J. Van Lindberg

Onder impuls van Hoofdman Van Daele komt de Gilde stilaan weer tot leven. Het ledenaantal bedraagt in 1938-39 een 40-tal schutters en het aantal aanwezigen op de wekelijkse schietingen neemt gestadig toe.
De Ere-voorzitters
Intussen heeft de Gilde van bij haar aanvang ook een Ere-voorzitter. De eerste Ere-voorzitter is J. Van Houtryve uit de Raamstraat. Wanneer de Gilde “De Parijssche Halle” verlaat wordt hij opgevolgd door gewezen brouwer Jos. Van der Ghote uit de Korte Zilverstraat, die eigenaar is van het nieuwe lokaal. Bij zijn afsterven wordt deze herberg overgenomen door de brouwerij Aigle-Belgica. De nieuwe Ere-voorzitter wordt Henri Waeghemans, die op zijn beurt in het seizoen 1967-68 zal opgevolgd worden, ditmaal door een echte schutter en trouwe Gildebroeder, Wilfried Rammant. Hij zal tot aan zijn dood talrijke jaren een graag geziene en stimulerende Confrater zijn.

De enige bedoeling voor het creëren van de titel van Ere-voorzitter bestaat er blijkbaar in om een milde schenker te vinden. De Ere-voorzitter steunt jaarlijks de Gilde met een financiële bijdrage. In het seizoen 1949-50 vermeldt het kasboek een gift van 1500 fr. De eerstvolgende jaren is dit telkens 1000 fr. Er is ook elk jaar een schieting van de Ere-voorzitter. De prijzen op de pers worden door hem aangeboden. Na het overlijden van Wilfried Rammant komt er een einde aan deze traditie. De laatste schieting van de Ere-voorzitter vindt plaats op 4 november 1983.
De tweede wereldoorlog
Het uitbreken van de tweede wereldoorlog zal het gildeleven volledig verstoren.

Het seizoen 1939-1940 kan nog doorgang vinden. De laatste schieting vindt plaats op 29 maart 1940. Er zijn slechts 16 schutters aanwezig. Tijdens het verder verloop van WO II ligt het gildeleven stil, want dergelijke activiteiten zijn door de Duitsers verboden.

Het gildeleven herneemt pas in 1945. Hoofdman Joseph Van Daele wil zijn Gilde heropbouwen. In september 1946 is er opnieuw een volwaardige Eed met de volgende leden:
  • Hoofdman: Joseph Van Daele
  • Stadhouder: Leopold Sorel
  • 1e Deken: Silvain Delacourt
  • 2e Deken: Léon Haest
  • 1e Hofmeester: Maurice Leliaert
  • 2e Hofmeester: Dr. Houthave
  • Tresorier: Alfons Minnebo
  • Griffier: Edward Scharpé

Een nieuwe Sire zal door een sireschieting moeten aangewezen worden.
De Keizersschietingen
Stilaan groeit de Gilde weer tot een aanzienlijke schuttersvereniging. Onder impuls van Hoofdman Van Daele en in samenwerking met de heer Boute ( van het latere vastgoedkantoor Boute-Steel), de lokaalhouder Alfons Minnebo (die het meeste werk moet verzetten) en André Lanckriet gaat de Gilde de verbintenis aan om een keizerschieting liggende wip te organiseren. Het zal het begin worden van een jarenlange traditie.

Een delegatie gaat op bezoek bij de schuttersgilde te Knokke, waar jaarlijks een dergelijke manifestatie plaats vindt. Met de aldus opgedane kennis wordt een reglement opgesteld voor de inrichting van de “internationale keizerschieting liggende wip voor handboog-schutters”. In die tijd worden uitsluitend houten bogen zonder vizier gebruikt en schiet men met houten pijlen. Er zijn verschillende merken in de handel, maar hoofdzakelijk Belgische. Pijlen komen uit Destelbergen of Lokeren en er bestaan ook echte Brugse pijlen.

Deze keizerschieting wordt internationaal opgevat teneinde ook schutters uit Nederland en Frankrijk aan te trekken. Uit Nederland komen er wel enkele deelnemers maar meestal als lid van een Vlaamse gilde. Uit Frankrijk zouden er evenwel nooit schutters deelnemen.

De schifting wordt uitsluitend gehouden tussen werkelijk dienstdoende Sires of Koningen in het jaar dat de Keizerschieting plaatsvindt. De kandidaten moeten in het bezit zijn van een attest van hun Hoofdman, als bewijs. Dit attest moet gevalideerd zijn door een attest van de Burgemeester van de plaats waar de gilde gevestigd is. De schriftelijke inschrijving vindt op voorhand plaats of van 8 tot 9.30 uur de dag van de schieting zelf. Het is mogelijk ter plaatse te oefenen van 7.30 tot 9.30 uur. De Keizerschieting start om 10.30 uur en duurt tot 12 uur. Daarna volgt eventueel het kampen. Vele schutters die zich vroegtijdig ingeschreven hebben vertrekken terug, na al dan niet geoefend te hebben, om de zenuwen te kalmeren. Een groot deel van de deelnemers gaat zelfs naar de H. Mis in de Sint-Gilliskerk om zich te sterken!

Verschillende jaren na elkaar zijn de ‘verstkomende’ schutters uit Muizen bij Mechelen. Er komt bijna 25 jaar lang een delegatie uit De Panne.

Vermeldenswaard is de enige jubilaris die 25 maal deelneemt : Alberic Boone, voormalig zwemkampioen die verschillende malen zegevierde in de grote zwemwedstrijd Damme-Brugge. Later wijkt hij uit naar Westende om daar als grote vedette op te treden in de “‘Lac au Dames”, een instelling met zijdelingse doorkijk in het zwembad. Boone speelt er met succes trompet onder water. Zijn zoon zou later Hoofdman worden van de schuttersgilde te Westende.

De Keizerschieting heeft plaats na loting onder de kandidaten voor de volgorde van het schieten. Elke deelnemer moet voorzien zijn van 3 pijlen om 3 na-eenvolgende schoten te kunnen geven. Eenzelfde pijl mag tijdens de 3 schoten geen tweede maal gebruikt worden. Wie de hoofdvogel ( met dezelfde afmetingen als een sirevogel) afschiet, komt in aanmerking voor de kamping. De schutter die als enige met de eerste drie pijlen twee- of driemaal de hoofdvogel afschiet, wordt aangeduid als Keizer.

De Gilde krijgt voor haar organisatie bijzonder grote medewerking van het toenmalige gekende Brugs weekblad “Burgerwelzijn”. Al het nodige drukwerk voor de uitnodigingen en de affiches worden gratis geleverd en bovendien schenkt het “Burgerwelzijn” ook de Keizersketting. Deze ketting is een uniek stuk bestaande uit zilveren schakels en een sieraad (voor het graveren van naam en datum) met daaraan een grote zilveren vogel. Ook het Stadsbestuur is de Gilde zeer genegen en schenkt enkele malen de stadsmedaille, die normaliter alleen aan prominenten overhandigd wordt bij officiële ontvangsten. Later schenkt de Stad Brugge telkens een mooi herinneringsbord. Ook door de brouwerij “Aigle-Belgica” wordt een mooie herinneringsprijs overhandigd.

Voor de eerste Keizersschieting heeft de Gilde reeds meer dan 40 deelnemers waarvan er hooguit een tiental in kamping komen. De eerste Keizer is een lid van de Stokkeschutters uit Knokke. Degene die de stadsmedaille bekomt, is een schutter uit Torhout, zekere Bryon, die na een hele ceremonie uit handen van een Schepen van de Stad Brugge het kleinood mag ontvangen.

De Gilde start met de eerste Keizerschieting in 1947 en houdt ermee op in 1972. Door het verdwijnen van het “ Burgerwelzijn” (overgenomen door het “Brugsch Handelsblad”) verliest de Gilde niet meteen de noodzakelijke financiële ondersteuning. Het “Brugsch Handelsblad” zet de traditie voort zodat de Keizerschieting, die elk jaar meer schutters aantrekt, verder ingericht kan worden. Maar waarschijnlijk door het ontbreken van de vereiste kennis van de schutterstradities heeft het “Brugsch Handelsblad” zijn steun ook toegezegd aan een schuttersvereniging in Uitkerke om eveneens een Keizerschieting in te richten. Dit gebeurt uitgerekend één jaar voor het 25-jarig jubileum van de “ enige en echte” Keizerschieting van Karel de Goede. Als een tweede maal door het “Brugsch Handelsblad” steun wordt verleend aan Uitkerke houdt de Gilde Karel de Goede het voor bekeken.

De organisatie in Uitkerke hield het slechts enkele jaren vol, zodat door spijtige naijver een mooie schutterstraditie in het vergeetboek raakt.

Tijdens de 25 georganiseerde Keizerschietingen zijn slechts twee Sires van de Gilde Karel de Goede er in geslaagd zich Keizer te schieten: Firmin Rosseel en Romain Vandekerckhove, zoon van Hoofdman Richard Vandekerckhove. Uiteraard wordt tweemaal uitvoerig gefeest om deze Keizers te vieren.

Volledigheidshalve vermelden wij dat er aan de deelname aan de Keizerschieting ook een voorwaarde verbonden is, bestaande uit de verplichte deelname aan het beschrijf dat dezelfde dag in de namiddag gehouden wordt, de “ Grote Kalkoenschieting”. De kandidaat-Keizers zijn aldus goed omringd door gildegenoten. In de namiddag nemen tot 120 schutters aan de kalkoenschieting deel.

Het zware werk dat aan deze ene dag verbonden is rust op de schouders van de lokaalhouder Alfons Minnebo, die moet instaan voor alle voorzieningen. Zijn troost bestaat in ... het onophoudelijk rinkelen van de kassa!

Om het groot aantal schutters te ontvangen moet men op twee wippen kunnen schieten. Er wordt gedurende zekere tijd een tent opgetrokken boven de bolbaan, die omzoomd is door prachtige oude linden. Verschillende kruinen van deze linden worden opgeofferd zodat er binnen in de tent zou kunnen geschoten worden. Naast het “Oud Handbogenhof” is er nog een herberg, “Batavia” genoemd. Ook daar komt zich een schuttersvereniging vestigen, “De Vrije Burgers”. Gedurende enkele jaren kan de Gilde hun wip als tweede wip gebruiken. “ Batavia” wordt echter verkocht, waarna de herberg gesloten wordt. Gelukkig dat de (inmiddels gesloopte) gemeenteschool Sint-Antonius, rechtover het “ Oud Handbogenhof” , door een terugloop van het aantal leerlingen enkele leegstaande klaslokalen bezit. Deze worden zeer bereidwillig door het schoolbestuur ter beschikking gesteld voor de plaatsing van de tweede wip.

Aan de Keizersschietingen zijn uiteraard vele anekdoten verbonden. Bijvoorbeeld kent men toentertijd nog niet de uit Canada ingevoerde panklare kalkoenen, zodat de Gilde ieder jaar bij de boeren de nodige kalkoenen moet gaan zoeken. Het gewichtsverschil, dat varieert van 7 tot 8 kg levend, bepaalt de waarde van de prijzen. De dieren worden nog levend aan de winnaars overhandigd en, u kunt het raden, dit betekent een waar spektakel bij de prijsuitreiking. Er is ook een kalkoen voor het ‘verstkomend’ peleton van minstens 5 schutters. Onze regelmatige bezoekers uit Muizen (bij Mechelen) zijn schutters die aan de spoorweg werkzaam zijn en die dus met de trein komen. Zij nemen dan ook hun levende kalkoen mee op de trein. Wat een janboel!
Het (aangename) leven in de Gilde
Laten wij nu terugkeren naar de naoorlogse periode. De Gilde Karel de Goede kan steeds prat gaan op de gezellige sfeer die er heerst tijdens de oefen- en prijsschietingen. “Moeder” Paula De Backer is er steeds bij om de gasten te verwennen en om elke vrijdag naast de drank te zorgen voor een klein hapje. Zij is een kundige bereidster van echte pekelharing in het zuur met aardappelen in de schil, de bekende “ kazakken”, die nog even gebakken worden op de buis van de Leuvense stoof. De Confraters zijn luimige mensen die graag een poets bakken. Arthur Maly, loodgietersbaas, is de grootste grappenmaker. Hij heeft steeds een zwaar oud geldstuk in zijn zak dat hij , als de omstanders in een ernstig gesprek gewikkeld zijn, pardoes op de marmeren bierdis laat vallen. Willem Legon speelt gezellige deuntjes op de piano in het lokaal. Maurice Mergaert gaat als groothandelaar in kruidenierswaren elke vrijdag naar de Beurs op de Keizersmarkt in Gent en heeft bij zijn terugkeer dikwijls zijn das averechts aan. Dit belet hem niet als drummer te fungeren door met de vingers of handen op de zijkant van de toog het ritme aan te geven. Zo komt men uiteindelijk tot gezamenlijk gezang, waarbij Maurice Leliaert en dokter Houthave zitten te glunderen bij een goede fles Beaujolais. Maurice is immers de eerste invoerder van deze wijn te Brugge. De Beaujolais komt toe in vaten van 300 á 400 liter. Intussen gaat deurwaarder Edward “Wardje” Scharpé aan zijn “druppeltje” nippen in de keuken want er mag geen sterke drank verkocht worden. Stel je voor, met de gist- en spiritusfabriek op schietafstand! Maurice en Michel Dehaere, bekende cervelat-fabrikanten uit Maldegem schenken af en toe een mulletje, bestaande uit paardebiefstukken, die gratis door moeder Paula van frieten voorzien worden. Wat een leven! Wat een tijd! Dit alles gebeurt nog grotendeels onder het hoofdmanschap van Joseph Van Daele die tot aan zijn overlijden in 1961 het roer stevig in handen houdt.

Er doen zich in die tijd ook allerhande zaken voor waaraan men nu niet meer denkt. In de periode onmiddellijk na WO II bestaat er nog de rantsoenering, waarbij zegels moeten gebruikt worden voor de bevoorrading. Naturaprijzen moeten op de zwarte markt gekocht worden maar de Gilde heeft ook leden-leveranciers. Eén van hen komt uit Oostkamp, echt uit de blauwersstreek tussen land en bos, waar de nachtelijke geweerschoten dikwijls weerklinken. Eens brengt hij een levende gans mee die hij als prijs schenkt. De winnaar is deurwaarder Scharpé maar in de Spanjaardstraat is er geen plaats voor levende ganzen en Alfons Minnebo, de lokaalhouder en tevens Tresorier en dienstknecht, zal zich over het beest ontfermen. Daardoor belandt de gans op het erf tussen de kippen, waar hij nog een aantal jaar geniet van de kostbare zorgen van Alfons. Hij is de schutters zo gewoon geworden dat hij bij het horen van zijn door de schutters geven roepnaam “ Wardje”, steeds met gekwaak antwoordt.

Ook de energievoorziening blijkt soms problematisch. Wat ook de oorzaak is, soms is weken aan een stuk elk verbruik van elektriciteit in cafés, restaurants en zelfs winkels verboden. Hoewel kaarsverlichting in een café romantisch is, kan men bij kaarslicht toch niet schieten. Zo komt het dat de schutters de vensters van de schietbaan afdichten en de wacht houden bij de voordeur omdat rondrijdende politieagenten controle moeten uitvoeren. Dit vermindert natuurlijk de goede luim van de Confraters en de ambiance niet, integendeel, het is een bijkomende attractie.

III. Hoofdman Richard Vandekerckhove (1961-70)

Droevige en aangename gebeurtenissen wisselen elkaar af, zoals het overlijden van Hoofdman Van Daele in 1961, na bijna 25 jaar het leiderschap van zijn Gilde te hebben waargenomen. Maar zoals het ook in hogere kringen gebeurt: de Koning is dood, leve de Koning. In de Gilde klinkt het : de Hoofdman is dood, leve de Hoofdman! Zonder veel discussies in de toenmalige Eed wordt een nieuwe Hoofdman verkozen en wordt het bestuur in handen gegeven van Richard Vandekerckhove, die met een reeds verjongde Eed omgeven wordt.

Deze nieuwe Hoofdman, die met zijn broers een belangrijk autocarbedrijf exploiteert, is zeer gemotiveerd voor zijn Gilde en tal van nieuwe realisaties komen ten goede aan de ambiance onder de Confraters.

Er komt ook een evolutie in de boogschutterssport door het op de markt komen van meer geperfectioneerd materiaal. Stalen en glasvezelbogen en Amerikaanse bogen met vizier ... doen hun intrede.

Onder het Hoofdmanschap van Richard Vandekerckhove beslist de Eed in 1964 om voortaan te schieten “in schuttersuitrusting”. Deze beslissing komt blijkbaar niet zonder slag of stoot tot stand. Het verslag van de Eed van 27 mei 1964 vermeldt inderdaad dat pas “na langdurige en meermaals onderbroken discussies” het besluit genomen wordt “ de schutters aan te zetten een speciale trui aan te schaffen welke tijdens de schietingen zou gedragen worden. Kleur: “Bordeaux”. De Eed beslist tevens bij de firma Slabbinck schildjes met het wapen van de Gilde aan te kopen, die tegen kostprijs ter beschikking van de leden zullen gesteld worden.
Een (mislukte) poging tot doelschieten
In 1943 huwt de latere Hoofdman André Lanckriet met één van de dochters van de lokaalhouder Alfons Minnebo. Haar zuster huwt met Eugène Van De Casteele die aangepord wordt eveneens te leren schieten en lid te worden van de Gilde. Zo geschiedt en bijna vijftig jaar later is Eugène nog steeds lid van de Gilde, waar hij het inmiddels tot Stadhouder heeft gebracht! Ook zijn echtgenote begint de boogsport te beoefenen en daardoor komt het dat er op een bepaald ogenblik sprake van is ook vrouwen in de Gilde toe te laten. Maar, net als in vele andere gilden, blijft ook de Gilde Karel de Goede uitsluitend aan mannen voorbehouden. Het jonge echtpaar moet zich elders uitleven in de schutterssport, zoals het doelschieten in Blankenberge en Sluis. Daardoor geïnspireerd brengt de lokaalhouder de nodige veranderingen aan zodat er in het lokaal ook op doel kan geschoten worden. De mogelijkheid bestaat zelfs om te oefenen of te kampen op zaterdagnamiddag en er ontstaat een zekere belangstelling onder de meer jeugdige schutters. Daartoe behoren toen Louis en Arthur Van Robaeys, Célestin Vandekerckhove en nog enkele anderen.

Een van de grootste bezielers uit die tijd, die alle disciplines beheerst, is Etienne De Ghey, verdeler van het automerk Ford. Hij is lid van de eeuwenoude Sint-Sebastiaansgilde in de Carmersstraat te Brugge, waar zowel het doelschieten als het schieten op liggende en staande wip op het programma staan. Hij wordt, door vrienden uitgenodigd, ook lid van de Gilde Karel de Goede. Zijn grote financiële armslag laat hem toe het modernste materiaal te gebruiken en hij wordt er enigszins de promotor van om het schieten meer als een echte sport op te vatten. Etienne De Ghey wordt ook als lid aanvaard in de Gilde Sint-Sebastiaan Sint-Pieters, toen onder het hoofdmanschap van Roland Rapaert de Grass. Uiteindelijk sterft de poging om in Karel de Goede ook het doelschieten aan bod te laten komen, een stille dood.
Nieuwe uitbaters
Op deze wijze gaat het leven steeds verder met komen en gaan van leden, maar Karel de Goede blijft een belangrijke Gilde met overwegend zelfstandigen onder zijn Confraters.

De Gilde krijgt in haar lokaal ook het gezelschap van een grote duivenmaatschappij, “De Nieuwe Colibri”. Dit maakt het werk van Alfons en Paula steeds zwaarder, bovendien worden ze er niet jonger op. Ze besluiten na 37 jaar herberguitbating, waarvan minstens 25 jaar in het “Oud Handbogenhof”, de zaak over te laten en van een welverdiend pensioen te genieten. De herberg wordt overgelaten aan de familie Pont (de ouders van de huidige tresorier Thierry Pont). Ook met deze uitbaters kan de Gilde goed opschieten en beleeft er nog aangename jaren. Marius en Yvonne Pont zijn zeer verdienstelijke lokaalhouders maar hebben het geluk niet lang aan hun zijde. Marius wordt nog in de volle opgroei van zijn kinderen uit zijn huisgezin en kennissenkring weggerukt. Yvonne heeft echter de moed om met nog grotere energie verder te werken en het lokaal open te houden zodat alle daar gevestigde maatschappijen er verder op de gewenste manier kunnen verblijven.
Verbroederingsschietingen met Willem Tell
De opname in onze Gilde van Georges Lescouhier, die Hoofdman is van de Willem Tell-schutters te Sint-Andries, leidt tot een zekere wedijver met de toenmalige Hoofdman. Op 25 maart 1964 beslist de Eed zijn akkoord te verlenen aan een jaarlijkse verbroederingsschieting tussen de beide gilden, met beurtelingse ontvangst in het eigen schutterslokaal. De eerste kampschieting vindt plaats in het lokaal ‘Casino’ op het Gemeenteplein te Sint-Andries. Er wordt een reglement opgesteld en een wisselschaal zal toegekend worden aan de gilde die na vijf jaar de meeste overwinningen zal behalen. Ter ere van de nog levende deelnemers maken we hier geen melding van de uitslagen.

Georges Lescouhier wordt ook nog betrekkelijk jong uit het schuttersmilieu weggerukt. In de Gilde Willem Tell wordt hij als Hoofdman opgevolgd door Omer Vandenbroucke, die ook lid is van de Gilde Karel de Goede. Hij neemt alle tradities over zodat de verbroederingsschietingen een verder jaarlijks verloop kennen tot er een einde aan komt wegens de te sterke meerderheid van onze Gilde in deze kampen. Hoofdman Omer Vandenbroucke is altijd een voorbeeld van de daadwerkelijke schutter geweest: hij is reeds van in zijn jeugd Confrater van de Koninklijke en Prinselijke Hoofdgilde St. Joris Stalen Boog te Brugge.

IV. Hoofdman André Lanckriet (1970-1994)

Zo kent de Gilde een periode waarin alles verloopt volgens een zekere planning, tijden waarin niet aan mogelijke onaangename voorvallen wordt gedacht.

Tot op zekere morgen in 1970, geheel onverwacht, de Gildebroeders het afsterven vernemen van hun Hoofdman Richard Vandekerckhove. Wat een drama! Er wordt wel onmiddellijk gedacht aan wat dit meebrengt voor zijn gezin en familie maar ook voor de Gilde wordt dit een onverwachte en droevige ervaring met allerhande beslommeringen. Het is dan een groot voordeel dat er een goede geest heerst in een goed werkende Eed. Negen jaar na de aanstelling van Hoofdman Richard Vandekerckhove wordt André Lanckriet op 56-jarige leeftijd door de Eed en de Confraters aangesteld als nieuwe Hoofdman, de derde na de oorlog. Hij zal het bijna 25 jaar blijven en onbetwistbaar zijn stempel op de Gilde drukken.

Ook in die nieuwe periode zullen er voor de Gilde ongekende problemen rijzen. Maar we blikken eerst even terug naar 1977.
Tentoonstelling Karel de Goede 1127 - 1977
De herinnering aan de Zalige graaf Karel de Goede blijft gedurende vele eeuwen prominent aanwezig in de volksdevotie. Er zijn dan ook talloze afbeeldingen van Karel de Goede terug te vinden in velerlei kunstwerken, terwijl er ook een massa volksboekjes en almanakken bestaan met de beschrijving van zijn levensloop.

Ter gelegenheid van de 850ste verjaardag van zijn dood wordt er in Brugge een bijzondere tentoonstelling georganiseerd, volledig gewijd aan Karel de Goede. In de expositieruimte van de BBL op de Markt wordt een rijke variatie aan archivalia, handschriften, drukwerken, beeldhouwkunst, edelsmeedkunst, tekeningen en schilderijen samengebracht. Ook onze Gilde en verschillende leden verlenen hun meewerking door diverse stukken in bruikleen te geven voor de tentoonstelling. Zo is er een verzameling eretekens van de Gilde te zien, de gildevlag, de sireketting en de ketting van de Hoofdman naast diverse sierborden, waaronder het herinneringsbord, vervaardigd door K. Van Walleghem ter gelegenheid van de 25ste Keizerschieting in 1972. Ook het tinnen bord dat de Gilde schonk als herinnering aan de aanstelling van Hoofdman Lanckriet in 1970 staat er te kijk.

In de Stijn-Streuvelsstraat 59 (1980-?)

Opnieuw nieuwe uitbaters ...
Na een moeilijke periode doorsparteld te hebben neemt mevrouw Pont afscheid van het “Oud Handbogenhof” en laat de zaak over aan een echtpaar, Pierre en Agnes. Door de verandering van eigenaar van de gebouwen is er reeds een eerste stap gezet naar de renovatie van het geheel en heeft het interieur van de herberg al een gedaanteverandering ondergaan. Het tijdperk van deze nieuwe uitbaters is vrij kort en er doet zich alweer een wissel voor. Nieuwe bazen, nieuwe wetten, maar waar de Gilde denkt een jonge, enthousiaste “patron” te hebben gevonden, is de ontknoping zeer teleurstellend en zelfs vernederend.

De nieuwe uitbater, Roland Annys, vormt zich een ander beeld over de bestemming van zijn zaak. Tot hun grote spijt en verbijstering vernemen de Confraters dat zij, na er meer dan 40 jaar te gast te zijn geweest, niet meer welkom zijn in het “Oud Handbogenhof” om er hun wekelijkse schietingen te houden. Zij zullen moeten uitzien naar een ander lokaal. Een enorme klap voor de Gilde!
Een nieuw lokaal
Gelukkig komt er tamelijk snel een oplossing dankzij Confrater Omer Vandenbroucke en de toenmalige Eed van de Sint-Jorisgilde, die op dat ogenblik kampt met ernstige financiële problemen. De Sint-Jorisgilde beschikt niet over de nodige middelen om weerstand te bieden aan de tand des tijds die haar lokaal bedreigt. Het gebouw, opgetrokken op een door de Stad Brugge in erfpacht gegeven domein tussen de Stijn Streuvelsstraat, de Kruisvest en de Hugo Verrieststraat, is dringend aan verbouwings- en opknappingswerken toe. Na bespreking van de diverse mogelijkheden komt het vrij snel tot een overeenkomst tussen beide gilden.

Karel de Goede zal voortaan elke vrijdag van haar schuttersseizoen gebruik kunnen maken van de lokalen van de Sint-Jorisgilde en dit met ingang van het seizoen 1980-81. De financiële voorwaarden worden vastgelegd, waardoor Sint-Joris zich verzekert van niet-onaanzienlijke bijkomende inkomsten, die haar moeten in staat stellen de nodige werken uit te voeren en ook voor de toekomst het nodige onderhoud te bekostigen. Na een voorlopig contract, noem het een proefperiode, komt op 8 september 1981 een definitieve overeenkomst tot stand. De duur ervan wordt gekoppeld aan de huurovereenkomst die de Sint-Jorisgilde zou afsluiten met de Stad Brugge. Inderdaad heeft de Sint-Jorisgilde noodgedwongen beslist om afstand te doen van haar erfpachtovereenkomst en haar eigendom over te dragen aan de Stad Brugge. De Sint-Jorisgilde wordt hoofdhuurder van de Stad Brugge en de Gilde Karel de Goede wordt onderhuurder tijdens het winterseizoen. Het is een regeling die ook het akkoord van de Stad Brugge verkrijgt en beide gilden tot grote tevredenheid stemt. De overeenkomst wordt voor de Sint-Jorisgilde ondertekend door Hoofdman Fernand De Mey, Schatbewaarder Charles Van Cleven en Griffier Luc Waege. Voor de Gilde Karel de Goede ondertekenen Hoofdman André Lanckriet, Stadhouder Eugène Van de Casteele en Griffier Hubert François.

Daarmee is het gebouw echter nog niet zo vlug hersteld en verbouwd. Hoofdman Fernand De Mey en Stadhouder Omer Vandenbroucke, Deken Vandenberghe, Schatbewaarder Charles Van Cleven, samen met andere leden van de Eed van Sint-Joris zijn het allen eens met het aanbod van de Eed van Karel de Goede om samen de Stad Brugge om bijstand te vragen voor het herstel van de lokalen. Ere-voorzitter Wilfried Rammant, die in de stadspolitiek veel vrienden heeft, zet de eerste stap voor samenspraak met de Stad waarna ieder van zijn kant zich verder beijvert om tot een gunstig resultaat te komen. Uiteindelijk verleent het Stadsbestuur gehoor aan deze verzuchtingen. Architect L. Vermeersch wordt gelast met het opmaken van de verbouwingsplannen. Door de oliecrisis heeft ook de Stad Brugge geen geld teveel maar dankzij enige financiële en materiële steun van onze Gilde en de bijzondere inspanningen van de Sint-Jorisgilde, worden de plannen uiteindelijk toch uitgevoerd en mag de verbouwing zeer geslaagd genoemd worden. De vernieuwde gildelokalen worden op 28 april 1985 officieel in gebruik genomen in aanwezigheid van burgemeester Frank Van Acker, tijdens een ontvangst die door de Sint-Jorisgilde en de Gilde Karel de Goede gezamenlijk wordt aangeboden.
“Koninklijke” Gilde
Het is reeds één de grootste wensen van Hoofdman Richard Vandekerckhove dat zijn Gilde de titel van “Koninklijke” maatschappij zou mogen dragen. Onze toenmalige Confrater, Mr. Jo Cant, advocaat te Brugge, heeft daarvoor reeds vele jaren terug briefwisseling gevoerd met het Koninklijk Paleis. Op dat ogenblik volstaat het nog te bewijzen dat de vereniging minstens 25 jaar bestaat. Doch uiteindelijk blijft het resultaat beperkt tot een lovenswaardige poging.

Ook Hoofdman Lanckriet koestert dezelfde droom. Op zijn vraag wordt door enkele leden van de Eed een dossier samengesteld. Zij worden daarin bijgestaan door Confrater Luc Hoste – die inmiddels Raadslid geworden is – en die voor zijn tussenkomsten hier een speciale vermelding en bedanking verdient.

De taak van de daartoe opgerichte commissie is er niet lichter op geworden want inmiddels moet een vereniging 50 jaar bestaan om de titel “Koninklijk” te kunnen verwerven. In de danig geteisterde archieven wordt naarstig op zoek gegaan naar de noodzakelijke bewijsstukken die het ononderbroken bestaan van de Gilde tijdens de vereiste periode moeten bewijzen.

Het ijverige speurwerk wordt beloond, het dossier raakt volledig en op 30 september 1987 kan de Hoofdman de officiële aanvraag, gericht aan zijne Majesteit de Koning, ondertekenen. Op 27 november bevestigt burgemeester Frank Van Acker dat hij een gunstig advies overgemaakt heeft aan de heer Gouverneur, die met het gebruikelijke onderzoek van het dossier gelast is. Reeds op 14 december laat de Kabinetschef van de Koning, J. van Ypersele, weten dat zijne Majesteit graag op het verzoek van de Gilde ingaat en dat het officieel brevet dat zijn beslissing bekrachtigt, door de Provinciegouverneur zal bezorgd worden.

De overhandiging van dit brevet vindt plaats op 21 april 1988 om 16 uur in het Provinciaal Hof. Een trotse Hoofdman Lanckriet mag er, omringd door de leden van de Eed, uit handen van gouverneur Olivier Vanneste de machtiging in ontvangst nemen, waarbij het de Gilde vergund wordt om voortaan de titel van “Koninklijke” Gilde te voeren.

Uiteraard moet deze voor de Gilde vererende gebeurtenis met de nodige luister gevierd worden. Op 1 oktober 1988 vindt in het gildelokaal een feestelijke academische zitting plaats. De genodigden worden bij hun aankomst onthaald op een ere-kanonschot. De Hoofdman mag er talrijke personaliteiten verwelkomen: senator Johan Weyts, tevens Hoofdman van de Keizerlijke en Koninklijke Gilde Vrije Archiers van Mijnheere Sint-Sebastiaan Sint-Kruis, eerste schepen Pieter Leys, die ook Hoofdman is van de Koninklijke Gilde Sint-Sebastiaan Sint-Andries, de schepenen Albert Claes, Fernand Vandamme en Roger Cools en de Hoofdmannen Bart De Baere van de Koninklijke en Prinselijke Hoofdgilde Sint-Joris te Brugge, Willy Van Poucke van de Koninklijke Hoofdgilde Sint-Sebastiaan te Brugge, Omer Vandenbroucke van de Koninklijke Handbooggilde Willem Tell te Sint-Andries, Raymond Muylle van de Koninklijke Gilde Sint-Sebastiaan Sint-Pieters en Marcel Marchau, voorzitter van de liggende wip van dezelfde Gilde, Jean Depuydt van de Handboogmaatschappij Eendracht maakt Macht uit Dudzele en Bob De Veen van de maatschappij Ivanhoe te Assebroek.

Na de verwelkoming van de aanwezigen door raadslid Luc Hoste, geeft Griffier Luc Lauwers een korte historiek van de Gilde. Vervolgens worden er toespraken gehouden door Hoofdman André Lanckriet, Hoofdman Bart De Baere en de politieke prominenten. Het officiële gedeelte wordt afgesloten met de voorlezing van het telegram aan de Koning en het uitbrengen door de Hoofdman van een toast op de Koning. De feestelijke zitting wordt opgeluisterd door het muziekensemble “Animato”, dat ondermeer Bach, Haydn en Händel ten gehore brengt. Hoe kan het anders dan dat deze academische viering gevolgd wordt door een grootse receptie voor alle genodigden, de Confraters en hun dames. Nadien begeven alle Gildebroeders zich met hun partner naar de salons van de “Brugse Hanze” om aan te schuiven aan een feestbanket, dat opgeluisterd wordt door het ensemble A. Mus. De viering wordt een onvergetelijke gebeurtenis voor alle Confraters, die pas in de vroege ochtenduren ten einde loopt.

Merkwaardig dat deze luisterrijke viering aldus eindigt in de onmiddellijke nabijheid van waar eens de “Parijssche Halle” stond, de bakermat van onze Gilde...
20 jaar Hoofdman
De Gilde is amper bekomen van de feestvieringen rond het verwerven van de “koninklijke” titel, of er dienen zich al nieuwe feestelijkheden aan.

André Lanckriet viert in het seizoen 1989-90 zijn jubileum van 20 jaar Hoofdman van zijn nu Koninklijk geworden Gilde. Samen met de aanstelling van de nieuwe Sire, Lionel Fevery, en de nieuwe Keizer, Jan Gydé, zal dit jubileum gevierd worden ter gelegenheid van het Karel de Goedefeest van 10 maart 1990.

Dat deze viering meer dan terecht is blijkt ondermeer uit volgend citaat uit de brief van de Griffier van 22 februari 1990 aan alle Confraters: “Inderdaad, Hoofdman Lanckriet is voor de Gilde niet enkel Hoofdman, maar ook voorman, edelman, honderdman, barman (thuis) en af en toe ook eens boeman (meestal terecht).”

Op 10 maart verzamelen de talrijke genodigden en de Confraters in het stijlvol versierde gildelokaal. Na de verwelkoming door Ere-griffier Hubert François, worden eerst de nieuwe Sire en Keizer aangesteld door Hoofdman Lanckriet zelf. Vervolgens spreekt de Ere-griffier de laudatio uit, waarbij uitbreid de vele verdiensten van de gevierde voor de Gilde in de verf gezet worden. Na deze lofrede mag een ontroerde Hoofdman een prachtig goudborduurwerk in ontvangst nemen, hem aangeboden door alle Confraters van de Gilde. Ook de Hoofdman van de Sint-Jorisgilde en de stadsafgevaardigde brengen op hun beurt hulde aan de jubilaris. Het welgemeende dankwoord van de gevierde sluit het officiële gedeelte van deze feestzitting af, die gevolgd wordt door een verzorgde receptie.

‘s Avonds vindt er dan een feestelijk banket plaats in de Salons van de “Brugse Hanze”.

De volgende maandag verzamelen alle Confraters opnieuw in het gildelokaal, waar de gevierde Hoofdman als dank een receptie aanbiedt, gevolgd door een herinneringsschieting. Op de pers staan er prachtige tinnen borden, aangeboden door de jubilaris. Het hoeft weinig betoog dat alle schutters zich inspannen om hun beste ...pijltje voor te zetten teneinde bij de gelukkigen te zijn die een dergelijk precieus kleinood mee naar de trofeeënkast kunnen doen.

En nog zijn de feestelijkheden niet beëindigd, want daags nadien biedt ook de nieuwe Keizer, Jan Gydé, een grootse schieting aan ter gelegenheid van zijn aanstelling. Voorwaar, het schuttersleven kan slopend zijn ...
Een unieke traditie: het “mulletje”
We kunnen de historiek van de Gilde Karel de Goede niet opmaken zonder het roemrijke “mulletje” te vermelden. Indien er één traditie is die Karel de Goede onderscheidt van alle andere gilden, dan is het wel deze.

Voor het ontstaan daarvan moeten we even terug in de tijd.

Gedurende bijna vijftig jaar verloopt het stramien van de vrijdagse schietingen ongewijzigd: de schieting vangt aan om 19 uur en eindigt om 21 uur “zeer stipt”, althans zo vermelden de oude jaartabellen. We vermeldden reeds dat er tijdens de schieting nu en dan een kleine versnapering wordt aangeboden door de uitbaters van het lokaal of door één van de leden. Een etentje kan je het niet noemen - daar is het nog te bescheiden voor - en misschien daarom wordt het dan maar een “mulletje” genoemd. Men gaat er ook niet voor aan tafel zitten, wellicht is het daarvoor de moeite niet, zodat men rechtstaande eet.

Stilaan neemt dit mulletje echter regelmatiger vormen aan: steeds meer prijsgevers nemen de gewoonte aan om, naast de prijzen die zij op de pers zetten, aan hun Confraters op hun kosten ook een kleinigheid te eten aan te bieden. Wanneer André Lanckriet Hoofdman wordt, blijkt ook uit de jaartabellen vanaf het seizoen 1971-72 dat de duur van de schieting verlengd wordt, eerst van 19 uur tot 21.30 uur en vervolgens vanaf het seizoen 1974-75 tot 22 uur, waarbij de jaartabel er voor de eerste maal bij vermeldt: “20 min. onderbreking voor het mulletje”. Het “mulletje” is officieel onderdeel van de schieting geworden!

Het jaar nadien deint de schieting nog iets verder uit: om 22 uur vangen pas de laatste twee ronden aan. Nog later wordt dit om 22.30 uur en het blijft dan zo tot op vandaag. Al die tijd zal het “mulletje”, aangeboden door de prijsgever(s), een vast en onmisbaar onderdeel van het vrijdagavondritueel blijven in onze Gilde, dat door alle Confraters ten zeerste wordt gewaardeerd. Van “staande” mulletjes is er ondertussen al lang geen sprake meer: rond 20.30 uur wordt de schieting voor een uurtje onderbroken en schuiven de Confraters aan de gedekte tafel aan, om er te genieten van wat hen telkens weer door de prijsgevers wordt aangeboden. De tijd van de “pekelharing” is ook lang voorbij ...

Eén zaak is zeker: het “mulletje” schaart de Confraters wekelijks rond de dis, in een sfeer van gezelligheid en “gezonde leute” en draagt aldus op unieke wijze bij tot de vriendschap tussen alle Confraters, die de kern uitmaakt van onze Gilde en ze zo uitzonderlijk maakt in de annalen van het toch al zo rijke schuttersleven.
Gildegezangen ...
Het mag geen verwondering wekken dat al deze gezelligheid en leute soms aanleiding geeft tot dichterlijke ontboezemingen en zelfs regelrechte koorzangen, waarbij de juiste toon de ene keer al beter wordt getroffen dan de andere keer ... En waarbij ook moet toegegeven worden dat de kwaliteit van de door de Gildebroeders geproduceerde verzen niet steeds beantwoordt aan het niveau van wat geredelijk mag verwacht worden van motetten, sonnetten en andere kwatrijnen...

Of wat denkt u van de volgende adaptatie van het aloude Vlaamse lied “De Gilde viert”, dat wij in de archieven aantreffen?

“ De Gilde viert
“ Wij noemen ons heel fier
“ Karel de Goede Vrienden
“ Hier kan men goed genieten
“ Wij danken gevers en bestuur
“ Voor ‘t menig aangename uur
“ Dat zij ons heel welwillend bieden
“ Kom laat ons allen vrolijk zijn
“ Het is hier ieder week festijn
“ En zingen samen het refrein:
“ Hoog de wijn
“ Hoog het bier
“ Ho-oog ‘t plezier.

Naar aanleiding van het jaarlijkse Karel de Goedefeest van 6 maart 1983 zingen Confrater “almoezenier” Scherpereel en Confrater “Pater” Callewaert de Vespers, waaruit we volgende strofen citeren:

“ Ter eer en glorie van het Gild
“ Worden die vespers opgedragen
“ Met Karel de Goede in het schild
“ Dit voor nog vele mooie dagen
(...)
“ Hij is nooit haastig of heel rap
“ En gaat hem zeker ook nie wèren
“ Maar is in ‘t schieten wel zeer knap
“ en pijlen maken doet hij gèren
“ Men zegt hij houdt van vrouw’lijk schoon
“ Hij zoekt het zelfs ten alle kanten
“ Met binnenpret en veel vertoon
“Ja onze Sire weet van wanten
(...)
“ Is altijd vrolijk en content
“ Door elk bemind en veel geprezen
“ Op vrijdagavond steeds present
“ Ons marketentster mag er wezen
“ Een schuttersgild heeft dat van doen
“ Een mannetje voor alle werken
“ Hij doet het voor een beetje poen
“ In ‘t pijlerapen is ‘t een sterken.
Mon en Lise
Deze laatste strofen zijn bestemd voor “Mon” en “Lise”. Florimond Van Dousselaere en zijn echtgenote Eliza Vande Weghe zijn twee kleurrijke volksfiguren van op Sint-Gillis, die sinds vele jaren en tot op hoge leeftijd onverbrekelijk verbonden blijven met het gildeleven van Karel de Goede.

Gedurende vele jaren is Mon wekelijks van dienst als pijlenraper. Vanuit zijn hokje, links van de wip, overschouwt hij het onstuimige schuttersgild, dat hem telkens weer doet monkelen. Zijn echtgenote Lise vergezelt hem trouw op elke schieting. Gezeten aan de ronde middentafel in de bar laat zij zich menige Gueuze smaken, ondertussen alles en iedereen in haar sappigste Brugs van commentaar voorziend.

Op de nieuwjaarsschieting van 1986 jonnen zij een schieting ter gelegenheid van hun gouden huwelijksjubileum. Nadat enkele Confraters de huwelijksplechtigheid nog eens op ludieke wijze hebben overgedaan, mogen een zeer ontroerde Mon en Lise een prachtig geschenk van alle Gildebroeders in ontvangst nemen.

Als zij enkele jaren later om gezondheidsredenen noodgedwongen moeten afhaken, verdwijnt met hen een stukje echte Brugse folklore uit het rijke bestaan van onze Gilde.
Net geen zilveren jubileum
Het begin van de jaren ’90 verloopt in relatieve rust en de Gilde kent een gestage groei door de aanvaarding van heel wat jongere leden.

Hoofdman André Lanckriet drukt nog steeds zijn stempel op de Gilde, ondanks zijn reeds respectabele leeftijd. Met de regelmaat van een klok- en soms met de onstuimigheid hem eigen - schrijft hij eigenhandig de leden van de Eed of de Confraters aan, waarbij telkens weer zijn grote bekommernis en liefde voor de Gilde Karel de Goede tot uiting komen.

Onder impuls van de Hoofdman wordt het reglement van de Sire- en Baljuwschieting aangepast en wordt het statuut van de Keizers definitief geregeld. Ook het reglement van inwendige orde, dat aan herziening toe was, wordt op punt gesteld.

Eigenhandig maakt de Hoofdman een tabel op met de voorziene jubilarissen tot en met het jaar 2002. Voor 1995 voorziet hij onder anderen: “Hoofdman: 50 jaar lid en 25 jaar hoofdman”. Helaas, zover zal het niet komen.

Het seizoen 1993-94 begint, zoals de vorige jaren, met een spetterende openingsschieting waarop ook de dames uitgenodigd zijn. Dit is reeds enige jaren traditie.

Op 15 oktober 1993 geeft de Hoofdman nog zijn traditionele schieting, doch daarna gaat het stilaan slechter met zijn gezondheid. Gedurende vele weken blijft hij afwezig op de wekelijkse schietingen en de vergaderingen van de Eed. De strijd tegen de ziekte is echter ongelijk. Stilaan beseffen de Confraters dat zij hun Hoofdman waarschijnlijk niet meer zullen terugzien in de Gilde. Op 26 januari 1994 vernemen de Gildebroeders dan het droeve nieuws: André Lanckriet is overleden, 80 jaar oud en in het 24ste jaar van zijn Hoofdmanschap. Op 29 januari zijn praktisch alle Confraters aanwezig om op piëteitsvolle en waardige wijze afscheid te nemen van hun Hoofdman in een overvolle Sint-Gilliskerk.

V. Hoofdman Jan De Busscher (1995)

Na het overlijden van André Lanckriet staat de Gilde voorlopig onder de leiding van Stadhouder Eugène Van De Casteele. Hij is niet alleen de hoogste in rang na de overleden Hoofdman, doch kent de Gilde door en door. Hij is immers reeds sinds 1952 lid en vanaf 1954 maakt hij onafgebroken deel uit van de Eed.

In de vergadering van 28 april 1994 legt de Eed de procedure vast die zal gevolgd worden om een nieuwe Hoofdman aan te stellen. De Eed beslist dat alleen leden van de Eed of Confraters die minstens vijf jaar lid zijn in aanmerking komen om hun kandidatuur te stellen. Daarenboven zullen alle Confraters individueel geraadpleegd worden. De Griffier en de Tresorier, die zelf geen kandidaat zijn, worden met deze taak gelast. Zij zullen daarover een rapport opmaken ten behoeve van de leden van de Eed. Het is de bedoeling om, indien mogelijk, slechts één kandidaat naar voor te schuiven. Zo er toch meerdere kandidaten zouden zijn, zal de Eed beslissen met een twee derden meerderheid.

De volgende maanden zullen de Griffier en de Tresorier alle Confraters persoonlijk bezoeken. Het resultaat van hun bevraging wordt voorgelegd aan de Eed in de vergadering van 24 november 1994. Na bespreking beslist de Eed unaniem dat Confrater Jan De Busscher, die lid is sinds 1987 en vanaf 1990 als Baljuw deel uitmaakt van de Eed, aangesteld zal worden als nieuwe Hoofdman van de Gilde, met ingang van het volgende seizoen. Tot het einde van het lopende seizoen zal de Stadhouder verder de taak waarnemen van dienstdoende Hoofdman, dit op uitdrukkelijke vraag van alle leden van de Eed.
De aanstellingsceremonie
De Eed beslist dat de officiële aanstelling van de nieuwe Hoofdman zal plaatsvinden op 26 augustus 1995.

De Feestcommissie van de Gilde, onder het onvolprezen voorzitterschap van eerste Deken Jules Lietaert, wordt gelast met de organisatie van deze uitzonderlijke gebeurtenis. Voor de Commissie volgt nu een periode van drukke bezigheden, waarbij in de eindfase soms dagelijks wordt vergaderd om het programma van de feestelijkheden tot in de puntjes te verzorgen.

Op zaterdag 26 augustus wordt de Hoofdman met een open koets thuis afgehaald door zijn beide peters, Raadslid Paul Maréchal en Confrater Lode Scherpereel. Tresorier Thierry Pont vergezelt hen. Zes ruiters begeleiden de koets naar het gildelokaal, waar alle Confraters ondertussen een erehaag gevormd hebben, met de boog in aanslag. Bij zijn aankomst wordt de nieuwe Hoofdman verwelkomd met klaroengeschal, klokkegelui en eresalvo’s, afgevuurd door de kanonnier van de Sint-Jorisgilde.

Terwijl de genodigden en de Confraters zich in het gildelokaal begeven, speelt een gelegenheidsensemble stemmige muziek. De eigenlijke aanstellingsceremonie verloopt in de aanwezigheid van talrijke Hoofdmannen van de Brugse schuttersgilden. De plechtige aanstelling vangt aan met het spelen van de vaderlandse hymnen, gevolgd door een toespraak van Pieter Leys, Hoofdman van de Koninklijke Sint-Sebastiaansgilde Sint-Andries, die de nieuwe Hoofdman voorstelt aan de genodigden. Na voorlezing van het verslag van de Eed waarbij de Hoofdman verkozen werd, volgt de eigenlijke aanstelling door Omer Vandenbroucke, Hoofdman van de Gilde Willem Tell Sint-Andries, die de grootste anciënniteit heeft. Hij wordt geassisteerd door Hoofdman Pieter Leys en Hoofdman Raymond Muylle van de Koninklijke Gilde Sint-Sebastiaan Sint-Pieters. Het aanstellingsprotocol wordt vastgelegd in een gekalligrafeerde oorkonde die door de Hoofdmannen en de Griffier wordt ondertekend. Deze oorkonde zal voortaan een ereplaats krijgen in het gildelokaal.

Vervolgens mag de nieuwe Hoofdman het geschenk van de Gilde ontvangen: een prachtige afbeelding van Karel de Goede, uitgevoerd in goudborduurwerk door de firma Slabbinck. De Hoofdman wordt tevens de gouden medaille van de Gilde opgespeld. Na een toespraak door schepen Marc De Langhe namens de Stad Brugge, spreekt tenslotte de Hoofdman een dankwoord uit.

De plechtigheid wordt opgeluisterd met verschillende muzikale intermezzi en besloten met een uitgebreide receptie in de zonovergoten tuin van het Gildelokaal. Nadien volgt nog een prachtig banket, waarbij de Hoofdman aan de eredis geflankeerd wordt door de drie Hoofdmannen die hem zojuist hebben aangesteld.

De leden van de Feestcommissie kunnen met grote voldoening terugblikken op een luisterrijke en stijlvolle aanstellingsceremonie, waarvoor zij van alle Confraters en genodigden niets dan felicitaties en blijken van grote waardering mogen ontvangen.
De Eed
Door de aanstelling van Baljuw Jan De Busscher tot nieuwe Hoofdman, valt meteen de functie van Baljuw open , terwijl ook een nieuw Raadslid moet aangesteld worden ingevolge het ontslag van Confrater Callewaert.

Na rijp beraad in de Eed wordt Confrater Gilbert Molenaers aangesteld als nieuwe Baljuw, terwijl Confrater Freddy Tempelaere tot Raadslid wordt benoemd.

Sinds 1995 is de Eed nu als volgt samengesteld:
  • Hoofman: Jan De Busscher
  • Stadhouder: Eugène Van De Casteele
  • 1e Deken: Jules Lietaert
  • 2e Deken: Arthur Van Robaeys
  • 1e Hofmeester: Paul Dewaele
  • 2e Hofmeester: René Van Parys
  • Griffier: Luc Lauwers
  • Tresorier: Thierry Pont
  • Baljuw: Gilbert Molenaers
  • Raadslid: Lionel Fevery
  • Raadslid: Paul Maréchal
  • Raadslid: Luc Hoste
  • Raadslid: Freddy Tempelaere
Sires en Keizers
Voor de duur van zijn sireschap (drie jaar) maakt ook de Sire deel uit van de Eed, als derde in rang.

Momenteel is dit Confrater Roland Huys, die op het Karel de Goedefeest van 6 maart 1999 in zijn functie werd aangesteld, nadat hij zich enkele weken voordien Sire heeft geschoten.

De Sireschietingen bestaan in alle schuttersgilden en kunnen bogen op een eeuwenoude traditie. Het afschieten van de Sirevogel - om de begeerde titel van Sire te bemachtigen - geeft in elke gilde aanleiding tot een spannende strijd tussen de Confraters. Ook in de Gilde Karel de Goede wordt om de drie jaar met spanning uitgezien naar de Sireschieting.

Wie zich driemaal na elkaar Sire schiet mag daarenboven de prestigieuze titel van ‘Keizer’ dragen. Deze uitzonderlijke prestatie werd tot nu toe reeds driemaal geleverd. De Confraters Erik Overstraete, Jan Gydé en Paul Derere mogen zich met de nodige fierheid Keizer noemen. Zij schoten zich respectievelijk in 1984, in 1990 en in 1996 Keizer.
De schietingen
De vrijdagse schietingen van de Gilde Karel de Goede beschrijven valt niet mee: zoals dit ook met het nieuws het geval is zijn de goede tijdingen zelden spectaculair. De gezonde ambiance en de vriendschappelijke sfeer, zonder onderscheid van rang of stand - die zo kenmerkend zijn voor onze Gilde - staan er in elk geval borg voor dat de Confraters steeds weer in groten getale aanwezig zijn op de wekelijkse schietingen .

Gildeschietingen wisselen af met schietingen die door één of meerdere Confraters worden gejond en waarvan sommige uitgegroeid zijn tot een echte traditie. Denken we maar aan de schietingen van de Paul’s en van de Luc’s, van de F’s en van de Cent-Kilo’s, ... enz. Ook bijzondere gelegenheden geven aanleiding tot het jonnen van een speciale schieting, zoals de steeds spetterende schietingen aangeboden door de jubilarissen die elk jaar gevierd worden ter gelegenheid van het feest van Karel de Goede.

Regelmatig mag de Gilde ook gasten verwelkomen, die op uitnodiging van de prijsgever even komen meegenieten van de unieke sfeer van de Gilde. De Burgemeester laat geen kans voorbij gaan om ook eens de boog ter hand te nemen, terwijl ook de pastoor van Damme - weze het met meer mercantiele bedoelingen - ieder jaar op het appèl is ( het liefst wanneer er mosselen op het menu staan). “ ‘t Mannetje uit de Mane” vaart er wel mee...

Ook vestimentair staat de Gilde niet stil. In 1996 beslist de Eed om enige wijzigingen aan te brengen aan het traditionele uniform, dat zich tot dan beperkt tot de gekende pull-over met het gildekenteken. Voortaan zullen alle Confraters hetzelfde blauwe hemd dragen onder de pull, en een blauwe das met het wapen van de Gilde.

De Gilde knoopt ook weer aan met een oude traditie: er komen opnieuw waardebonnen op de pers. De Eed beslist inderdaad over te gaan tot de aankoop van kristallen wijnglazen, waarin het wapen van de Gilde gegraveerd is. Deze glazen kunnen door de Confraters die het wensen aangekocht worden met de waardebonnen die als prijzen op de pers gezet worden. Waar er aanvankelijk bij sommigen enige scepsis bestaat nopens dit initiatief, zijn de waardebonnen op de pers ondertussen uitgegroeid tot een groot succes. De prijsvogels waarop een bon wordt gezet, sneuvelen meestal het eerst. Het afschieten ervan geeft aanleiding tot een gezonde competitie tussen de Confraters, wat alleen maar de ambiance kan ten goede komen.
Een gouden jubileum
Het is een jarenlange traditie dat ter gelegenheid van het Karel de Goedefeest de Gilde haar jubilarissen huldigt. Confraters die 10, 20, 30 ... jaar lid zijn van de Eed mogen rekenen op de blijken van waardering van hun Gildebroeders voor het gepresteerde werk en worden daarvoor uitgebreid in de bloemetjes gezet. Ook de Confraters die 25 jaar lid zijn worden gevierd en natuurlijk is dit ook zo in het uitzonderlijke geval een Confrater 50 jaar lid is. In het seizoen 1999-2000 wordt de Gilde voor het eerst in haar bestaan geconfronteerd met zo’n gouden jubileum. Inderdaad mag 1e Deken Jules Lietaert dan terugblikken op een carrière van een halve eeuw als schutter in de Koninklijke Gilde Karel de Goede. Dat dit jubileum uitgerekend in het magische jaar 2000 - het laatste jaar van het tweede millennium - plaats vindt, mag een gelukkig toeval genoemd worden.

Het spreekt voor zich dat in de beste gildetradities dit unieke feit met de nodige luister zal gevierd worden. Opnieuw is er werk op de plank voor de immer parate Feestcommissie. Aangezien de jubilaris bezwaarlijk zijn eigen huldiging kan organiseren, weegt op Raadslid Luc Hoste de taak de Voorzitter tijdelijk te vervangen in zijn wellicht zware doch zeker aangename functie.

Deken Jules Lietaert zal gevierd worden op het Karel de Goedefeest van 26 februari 2000. De traditionele huldiging in het gildelokaal wordt voorafgegaan door een misviering in de Sint-Gilliskerk. Naar de wens van de jubilaris zelf wordt deze viering opgeluisterd door de Schola Gregoriana o.l.v. Roger Deruwe.

Vervolgens wordt de Deken thuis afgehaald door zijn mede-Deken Arthur Van Robaeys. Aan het gildelokaal gekomen wordt de gevierde opgewacht door de leden van ‘zijn’ Feestcommissie en wordt hij verwelkomd met klaroengeschal, kanonschoten en klokkegelui. Na de begroeting door de Hoofdman volgt dan de officiële huldiging van de gouden jubilaris. De Hoofdman schetst uitgebreid de vele verdiensten van Deken Jules Lietaert voor de Gilde Karel de Goede. Waar het 50-jarig lidmaatschap op zich reeds een opmerkenswaardige prestatie mag heten, maakt de gevierde ook reeds sinds 1952 onafgebroken deel uit van de Eed. Daarnaast is hij sinds onheuglijke tijden de immer bezige Voorzitter van de Feestcommissie en in die functie verantwoordelijk voor de vele prachtige feesten en vieringen die de Gilde reeds heeft gekend. Als blijk van de grote waardering die de Confraters hun 1e Deken toedragen, wordt de jubilaris het gouden ereteken van de Gilde opgespeld. Tevens mag hij uit handen van de Hoofdman het geschenk van de Gilde in ontvangt nemen: een prachtige 5-armige tinnen kandelaar met de volgende inscriptie: “ Kon. Gilde Karel de Goede - J. Lietaert 1950-2000”. Uiteraard wordt ook de echtgenote van de jubilaris letterlijk in de bloemetjes gezet.

Tijdens dezelfde huldiging worden ook nog Confrater Michel Bossuyt, die zijn zilveren jubileum viert en de Hoofdman, die 10 jaar lid van de Eed is, gevierd. Deze luisterrijke huldeceremonie wordt afgerond met een toespraak van de afgevaardigde van het Stadsbestuur, waarop de Hoofdman alle genodigden en de Confraters uitnodigt tot de receptie.

De huldiging van de gevierden wordt de week daarop voortgezet met een gemeenschappelijke receptie en drie bijzondere schietingen, aangeboden door de drie jubilarissen. Een ‘verbeterd’ mulletje begeleidt deze prachtige schietingen en draagt op die manier bij tot de unieke sfeer die de Gilde zo kenmerkt. Het is een memorabele feestweek geweest, die de Gilde niet licht zal vergeten en waarop zowel de jubilarissen als de Confraters met fierheid mogen terugblikken. En de Feestcommissie zag eens te meer dat het goed was ...
Op naar een eeuwfeest
Opgericht in 1927 was de Koninklijke Gilde Karel de Goede in 2001 aan haar vijfenzeventigste verjaardag toe. Dit memorabele feit ging uiteraard niet onopgemerkt aan de Gilde voorbij. Op het Karel de Goedefeest van 3 maart 2001 blikte de Gilde met fierheid terug op haar activiteiten, die gedurende driekwart eeuw vele Confraters in vriendschap rond de liggende wip hebben verenigd. Met haar talrijke jonge leden lijkt ook de toekomst van de Gilde verzekerd.

Valete … et ad multos annos.
Top Top
Regis Datiae Karoli

TOURNANTE TOP 10

Hofmeester 1
18
Hofmeester 2
13
Van Huysse
10
Bonte
9
De Schuyter
9
Keizer II
9
Raadslid De Langhe
9
Stadhouder
8
De Craemere
6
Ere-Raadslid
5

WITTE TOP 3

Hostyn
6
Trezorier
5
Deken 2
4

UIL TOP 3

Trezorier
2
Van Maele
1
Werbrouck
1
Brugge Werelderfgoed